bekijk kerktijden neem contact op

Een stem uit het graf

Twee brieven van Julius Charles Rieu


Bron: Memoir of Julius Charles Rieu, Frédéric Monod, predikant van de Gereformeerde Franse Kerk te Parijs, French & Perkins, Philadelphia, 1833.


Wat een nare titel zul je denken. Een stem uit het graf. Toch was het de verzuchting die de jonge ds. Rieu uitte in een brief die hij op het laatst van zijn leven aan zijn gemeente schreef. De dominee was, net als zoveel anderen, getroffen door een besmettelijke ziekte. Hij wist dat hij ging sterven. Hij kon door genade ook sterven.


Vanaf zijn ziekbed richtte hij zich nog een keer tot zijn gemeente. In de wetenschap dat de gemeenteleden de boodschap zouden lezen als hij al gestorven was en in het graf zou liggen.


Nog een keer bracht hij de ernstige boodschap die hij ook tijdens zijn leven had mogen brengen. Maar ook nog een keer de troostvolle boodschap van genade voor diegene die zich door genade als zondaar had leren kennen.

Inleiding


‘Heb je de levensbeschrijving van Charles Rieu al eens gelezen? Ga niet slapen voor je die gelezen hebt.’ Dit werd gezegd tegen de vertaler van het boekje. Charles Rieu werd in augustus van het jaar 1792 geboren in Geneve. In deze stad bloeide ooit het gereformeerd protestantisme. Later kwam de stad onder sterke beïnvloeding van het verlichtingsdenken. Zowel Rousseau als Voltaire woonden er. Toch kwam het Evangelie weer terug. Opvallend is, dat sommige nakomelingen van degenen die de verlichting waren toegedaan, bekende predikanten werden van het Réveil. César Malan was een van de eersten die de leer van vrije genade voor verloren zondaren weer verkondigde. Felix Neff en Henry Pyt trokken ook rond om het Evangelie te verkondigen. 


In deze tijd werd Rieu geboren. In 1817 werd hij door de Franse gemeente in Fredericia, Denemarken, beroepen en hij nam het beroep op vijfentwintigjarige leeftijd aan. Zijn bediening werd gezegend. Hij was ervan overtuigd dat hij niet zichzelf, maar Jezus Christus en Die gekruist moest preken. Hij scheidde de leer nooit van de levenspraktijk, want deze twee dingen zijn als de zon en het zonlicht. De val en geestelijke ellende van de mens, de noodzaak van een Verlosser, de verzoening door voldoening in het offer van Jezus Christus, rechtvaardiging door Christus, wedergeboorte door de Heilige Geest, het laatste oordeel en daarna eeuwig ellendig of gelukkig te zijn waren de onderwerpen van zijn prediking. En daaruit voortvloeiend berouw, heiligmaking en de waarneming van alle christelijke plichten. Thuis bestudeerde hij grondig de Heilige Schrift. Hij had letterlijk honger en dorst naar de gerechtigheid. Hij had de gewoonte om de verzen te onderstrepen die hem diep raakten. Een van zijn favoriete werkzaamheden was het mediteren over het Woord met de pen in zijn hand, om zo de ideeën en indrukken veilig te stellen die het Woord aandroeg. Hij leefde het leven van het geloof, in de tegenwoordigheid van de Heere. De aarde was voor hem slechts een tijdelijke plaats, een plek van beproeving en verwachting. Hoe jong hij ook was – altijd dacht hij aan het moment waarnaar hij verlangde, namelijk het moment waarop hij verlost zou worden van het lichaam dezes doods, om heen te gaan naar de plaats waar Christus is. Hij waakte en bad, opdat hij gereed zou zijn wanneer de Zoon des mensen zou komen. Hoewel hij ernstig was, wil het nog niet zeggen dat hij nooit een grapje kon maken. De vrede van God gaf hem een onveranderlijke kalmte. Hij leefde, maar Christus leefde in hem. Sterk voelde hij zijn tekortkomingen en zwakheid. Alle goeds schreef hij de Heere toe.


In 1821 woedde er een ziekte in de gemeente. De ziekte beperkte zich hoofdzakelijk tot de bevolking van Fredericia, die de Lutherse Augsburgse Confessie voorstonden. Daarom werd het ‘de kwaal van de hervormden’ genoemd. Op 21 juni voelde hij zich ziek worden. Hij was echter bereid en de dood was voor hem geen verschrikking, maar een boodschapper van goede tijding. Wat had hij te vrezen? De Geest getuigde met zijn geest dat hij een kind van God was. Hij wist dat zijn Verlosser leeft en dat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus zijn. Hij stierf op 28 juni 1821 op achtentwintigjarige leeftijd. De bekende professor uit Princeton, Archibald Alexander, schreef in de levensbeschrijving nog een hartelijk voorwoord.


Hier volgen gedeelten van twee brieven die aan het eind van zijn leven geschreven zijn aan zijn gemeente en familie.



1. Brief aan de gemeente


Mijn geliefde gemeenteleden,


Ik heb jullie nog een enkel woord te zeggen. Het is een herhaling van wat jullie allang weten en wat mijn gedachten zelfs tot het einde toe blijft bezetten. Namelijk dat ik jullie liefgehad heb en ook op dit moment liefheb met geheel mijn hart. Mijn gebeden zijn opgezonden en zullen nog opgezonden worden ten behoeve van jullie, tot mijn laatste ademhaling toe. Ik geloof dat ik mijn liefde tot jullie bewezen heb door jullie de waarheid van God te verkondigen zoals ik die in mijn geweten en voor God geloofd heb.


Voordat ik het geestelijke voedsel voor jullie bereid heb en hetwelk ik verplicht was jullie te geven, heb ik mezelf steeds neergeworpen voor de troon der genade. Ik verzocht de grote Herder van zielen of Hij Zelf tot jullie wilde spreken door mijn mond en dat Hij het niet zou toelaten dat ik ook maar één gedachte van mezelf door zou laten dringen. Helaas, ik weet dat als ik niet zo ongelovig geweest zou zijn, de Heere Zijn kracht dan veel duidelijker in mijn zwakheid volbracht zou hebben. Dan zou Hij jullie vaker uitsluitend Zélf vermaand hebben. 


Toch heb ik dit vaste en volmaakte vertrouwen dat Hij, Die mij verkoren heeft (míj een onwaardig schepsel dat meer dan duizendmaal dood en veroordeeld is vanwege mijn fouten en overtredingen) mij werkelijk in staat gesteld heeft om te bouwen op het enige ware Fundament, de gekruiste Christus. Hij zal dat wat ik aan Hem toebetrouwd heb, bewaren tot die dag. Hij zal mij bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk. Deze verzekering is temeer onwankelbaar omdat ik mij op dit moment aan de voet van Zijn kruis neerleg. Ik neem volkomen afstand van mijn eigen verdiensten, die allemaal, van de eerste tot de laatste, vuile vodden zijn. Plechtig verklaar ik voor God dat ik Jezus Christus, de God Die te prijzen is in der eeuwigheid, ontvang als mijn enige Zaligmaker, Die door het bloed dat Hij stortte aan het kruis, mij gewassen heeft van alle ongerechtigheid en mij gereinigd heeft door Zijn Geest. Daarom kan ik voor Zijn aangezicht staan in gerechtigheid. 


Ik sla met de tollenaar op mijn borst vanwege de diepe bewustheid van mijn schuld en roep het uit met de gekruisigde en bekeerde moordenaar: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. En zo wordt de dood het gelukkigste moment van mijn leven. Ook al word ik van deze twee gedrongen, omdat ik aan de ene kant nog steeds wil arbeiden voor de zielen die aan mij zijn toevertrouwd heb ik toch een hartelijke begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste. 


Geliefde gemeenteleden, overweeg toch jullie verantwoordelijkheden. Ik heb jullie de volle raad van God verkondigd. Het is waar (ik belijd het met smart en verootmoediging voor het kruis), ik heb het gedaan met teveel zwakheid en mensenvrees. Bovenal verwijt mijn geweten me dat ik niet genoegzaam het voorbeeld van de apostel nagevolgd ben, door eenieder van jullie onder vier ogen van huis tot huis te vermanen.


Toch zijn jullie er de getuigen van dat ik mij nooit geschaamd heb voor de gekruiste Christus wanneer ik jullie Zijn Woord verkondigd heb op de kansel. Zijn Koninkrijk is nabij jullie gekomen. De muren van jullie tempel getuigen ervan. O, dat jullie allen gehoord hadden naar het Woord des levens dat alleen jullie ziel maar kan redden! Wat zou mijn vreugde groot zijn geweest als ik gezien had dat velen van jullie bekeerd waren tot Christus!


Luister, luister naar Zijn stem terwijl het nog het heden is. Ik roep tot jullie vanuit mijn graf. Als jullie deze stem niet horen, dan zullen jullie ook niet overtuigd worden als er iemand uit de doden zou opstaan. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar dit Woord zal niet voorbijgaan. O Christus, verlos hen en bid voor hen zoals U zo neerbuigend goed voor mij gebeden hebt!


Vaarwel dan, lieve gemeenteleden! Ik beveel jullie Gode en het Woord Zijner genade. Waak en bid, Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. We zullen spoedig oog in oog staan voor de rechterstoel van Christus.


Julius Charles Rieu.


2. Brief aan de Familie


Mijn geliefde familieleden,


Ik wilde jullie niet laten schrikken toen ik sprak over de besmettelijke ziekte die hier in de winter rondwaarde. Zij is in het voorjaar weer met dubbele kracht uitgebroken. Vooral vaders en moeders van gezinnen werden in de bloei van hun leven afgesneden. Tijdens mijn verblijf in Kopenhagen, werd een groot aantal mensen door de ziekte weggeveegd. Toch zei de arts dat de ziekte niet gepaard ging met een groot gevaar van besmetting. 


Ik heb de voorschriften echter wel nagevolgd door niet al te lang bij de zieken te blijven en mijn handen en gezicht met azijn te wassen. Mevr. H. heeft dat ook gedaan, maar zij heeft de zieken soms wel drie keer bezocht, op het moment dat hun ziekte gevaarlijk was en ook met Pinksteren. Daar kunnen de vele toespraken rond de graven van de doden nog bijgerekend worden. Ik had verder weinig tijd om de zieken te bezoeken. Daarom werd zij eerst door de ziekte aangegrepen, tijdens onze eerste viering van het Avondmaal en dat juist op de dag waarop onze twee vrienden Monod arriveerden.


We vermoedden toen niet dat het de heersende ziekte kon zijn, omdat onze zuster H. op maandag en dinsdag geheel genezen scheen te zijn. Het ging zelfs zo goed, dat ze met ons mee kon gaan naar Christiansfeldt. Na onze terugkeer moest ze echter weer in bed gaan liggen. In Gods voorzienigheid was ze aan mijn zorg toevertrouwd, afgescheiden van al haar vrienden. Ze kende de mensen van Fredericia ook nog niet zo goed. Daarom was het wel duidelijk dat ik haar moest verplegen. Tijdens de Sabbat scheen ze weer wat beter te worden en we vierden het Avondmaal samen. Maar helaas, vanaf twaalf uur kwam er een plotselinge verandering in haar ziekte. Een verstopping in haar borststreek vereiste de plaatsing van bloedzuigers, om zo door bloedverlies de symptomen te bestrijden.


Ik schreef onze vrienden Monod en verzocht hen geen melding te maken van haar ziekte, anders zou dat onnodige schrik teweegbrengen. Verscheidene dagen verergerde haar toestand.


Op donderdagmorgen begon ik zelf een weinig druk in mijn hoofd te voelen, die ik echter toeschreef aan het veelvuldige waken. Ik was er zeker van dat rust deze druk spoedig zou verlichten. Tijdens de morgen (van de volgende dag) werden alle symptomen heviger. Ik ging naar bed en gaf me over in de handen van de arts. Ik volgde zijn voorschriften op, maar werd er binnen enkele uren heel erg door verzwakt. Ik zal jullie niet vermoeien met in detail te treden met wat daarna volgde. 


Geliefde vrienden, ik wil dat jullie weten dat ik geen middel verwaarloosd heb dat God binnen mijn bereik geplaatst heeft voor het herstel van mijn gezondheid. Ik heb dit ook gezegd tegen mijn goede ouderlingen, die zich erg zorgen maken om mij. Ik beschouw het als mijn eerste plicht om me tot in elke bijzonderheid te schikken naar het advies van mijn arts. Juist om de reden dat ik heel weinig vertrouwen heb in mensen, zie ik de arts die in deze plaats gekozen is eenvoudigweg als instrument in de hand van God. Door dat instrument voert Hij Zijn wil uit met betrekking tot elke patiënt, of de arts nu een goede naam heeft of niet. Door deze gedachte voel ik geen enkele onrust. 


Mijn ziel is vervuld met onuitsprekelijke vrede en vreugde. Als er ook maar iets is dat mij doet vermoeden dat ik weer beter zal worden, dan is het de gedachte dat zo’n vroege oproep, bijna voordat ik de [geestelijke] strijd ben aangegaan, een gunst zou zijn die oneindig verder gaat dan mijn verdiensten of wat ik kan hopen. Wat ben ik, het meest waardeloze en vervuilde van alle schepselen, wat ben ik, dat zo’n grote liefde aan mij betoond zou worden? 


Ongetwijfeld zou ik die liefde moeten aannemen met een vuriger dankbaarheid dan welke andere zegen dan ook. Ik heb werkelijk niets gedaan wat zo’n zegen zou verdienen. Maar wat zeg ik? Is niet alles, alles, alles uit genade? Het zou mijn vermaak zijn om van tijd tot tijd tot jullie te spreken in korte en haastige regels. Dit brengt me nabij jullie en dan kan ik met jullie spreken over God. Hij alleen moeten we op het oog hebben. Zijn stem moet in deze zaak gehoorzaamd worden.


Ik werd zojuist heel erg ontroerd door een kort gesprek met mijn jonge leerling, die voor de dienst de pastorie binnenkwam. Met grote eenvoudigheid gaf hij uitdrukking aan het belangstelling die heel mijn gemeente had met betrekking tot mijn ziekte. Hij zei: ‘Wat zal er van ons terechtkomen als de Heere u zou wegnemen?’ Ik antwoordde hem en de ouderlingen dat ze er zeker van konden zijn dat ik niet zwak terugdeins voor de strijd en dat ik gereedstond om mijn kruis zo lang als het de Heere zou behagen te dragen.


Mijn enige gebed was het gebed van mijn Meester: Uw wil geschiede. Ik zou zo’n vroege oproep na zo’n korte strijd als een grote gunst beschouwen, die voor een ellendige zondaar als ik ben zeer uitzonderlijk zou zijn. Net nadat deze leerling vertrokken was, kwam de voortreffelijke Favre binnen. Hij was nat van de tranen en geloofde me toen ik hem verzekerde dat mijn grote uiting van vreugde bij de gedachte aan mijn verlossing uit dit leven, niet voortkwam uit een ijdele aversie tegen de moeilijkheden van het leven of het gebrek aan liefde tot hen.


Later op de morgen werden mijn klachten dreigender. Mijn ziel had dezelfde kalmte. Ik weet Wie ik geloofd heb. Ik ga met onbeschrijfelijke vreugde voort door de donkere vallei, want ik ga naar Jezus, mijn God. Ik ga naar Christus, Die voor ons heeft overwonnen. Al Zijn beloften komen samen tot een punt en vervullen mijn ziel met een blijdschap die ik nog nooit eerder gekend heb. Nee, Hij heeft ons niet misleid! Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. Ik ga heen om Hem te zien zoals Hij is. Ik zie Hem reeds. Ik voel dat Zijn hand mijn ziel ondersteunt. Wanneer dit leem [mijn lichaam] in stukken brokkelt, dan wordt de inwendige mens vernieuwd. Ik zal naar Zijn beeld veranderd worden, ik zal als Hem zijn! Daar waar geen droefheid is.


O, kon ik de vreugde maar aan jullie zielen meedelen! Maar jullie kunnen die daar ook vinden. Ik ben niet van jullie gescheiden. Op het moment dat ik hier mijn ogen sluit, kan ik me bij jullie zien staan om Christus op de wolken te zien komen.


O, dat jullie allen zouden ontslapen in Jezus! Vaarwel geliefde vrienden! Ik heb een beetje hoop – dat het moment nadert waar ik zo vurig naar verlangd heb. De gedachte daaraan gaf mij altijd de zoetste voldoening. O, wat bent U goed, mijn Zaligmaker! Uw aangezicht vervult me met vreugde. Opstanding en het Leven! Eeuwigheid, eeuwigheid met Jezus! Zo geliefd, hoewel ongezien. Wat zal dat zijn. Mijn geest bezwijkt. O bloed! O kruis!


Wat een vrede is er in dat laatste woord gericht tot de moordenaar: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn. Vreugde, eindeloze vreugde! Volheid van vermaak! Voor altijd bij Hem te zijn, Die mijn ziel liefheeft. Wij zullen het lied van het Lam aanheffen met de tienduizend maal tienduizenden die het kennen en het nieuwe gezang geleerd hebben. Hem, Die ons verlost heeft, zij de eer. Voor Zijn troon. Ik brand van verlangen!


Wanneer zal deze muur van vlees afgebroken worden? Nog een klein ogenblik. O, hoe groot is Zijn goedheid! Ween niet, mijn vrienden. Het laatste dat mijn geweten misschien zelfs een klein beetje zou kunnen beroeren, is de herinnering aan een waarschuwing aan bepaalde overtreders, maar die ik gedwongen was te verzuimen door een opeenvolging van recente omstandigheden. Ik heb deze vermaning doorgegeven aan de ouderlingen, zodat ik verzekerd ben dat hun bloed van mijn hand niet zal geëist zal worden. 


Mijn vrede is nog steeds zuiver, volmaakt en ongemengd. Mijn vreugde gaat alle verstand te boven. Ik beschrijf die slechts opdat jullie er zelf naar zullen verlangen. Zeker, die vrede wordt niet gevonden in de drukke kringen van de wereld. Het pad ervan is niet nagevorst door de wijzen van de wereld. Nee, nee, U alleen schenkt het, o God, God de Zaligmaker, God de Vertrooster! Geloofd, geloofd, voor eeuwig geloofd zij Uw heerlijke Naam!


Lieve moeder, oom, tante, broers en zussen, neven en nichten, vrienden in Christus, wij zijn niet gescheiden. Wij zullen elkaar spoedig ontmoeten.


Julius Charles Rieu.